Als je waardigheid wordt aangetast en je menselijkheid in het gedrang komt, welke mogelijkheden bieden taal en literatuur dan om je te verweren? Die vragen vormden het uitgangspunt voor de zoektocht van de Palestijnse schrijver Adania Shibli. Twaalf jaar later in 2020 verscheen haar roman Minor detail, een weerslag van wat ze al zoekend vond.


Adania Shibli. Foto National Book Foundation

Historische gebeurtenis

Wie nu verwacht dat Minor detail een theoretisch essay is over de waarde en kracht van taal en literatuur, komt bedrogen uit. Het boek is op het eerste gezicht een ‘gewone’ roman of novelle (112 kleine pagina’s) in twee delen. Het eerste deel bevat het verslag van een historische gebeurtenis uit 1949, in het andere deel gaat een vrouwelijke hoofdpersoon op zoek naar mogelijke sporen van die gebeurtenis in het landschap en in het collectieve geheugen. De twee delen zijn met elkaar verbonden door een minor detail: de historische gebeurtenis vond plaats precies 25 jaar voordat de verteller uit het tweede deel werd geboren.

Maar in deze roman is niets wat het lijkt. Verteller, schrijver én lezer moeten alert zijn op details, afdrukken en sporen. Het verhaal speelt met tegenstellingen als ‘ontdekken en bedekken’, ‘verschijnen en verdwijnen’ en laat zien hoe die tegenstellingen paradoxen worden in tijd, plaats en handeling.

Omslag van Minor detail
Omslag van Minor detail

Bedoeïenen in de woestijn

De roman speelt zich voor een groot deel af in de Naqab (Negev) woestijn, een gebied dat niet vaak figureert in de hedendaagse Palestijnse literatuur. Van oudsher is de woestijn het leefgebied van de Bedoeïenen, een semi-nomadische bevolkingsgroep die haar grondgebied gebruikt voor extensieve landbouw en veeteelt. Maar in de literaire en culturele traditie staan herders in woestijnen voor zoveel meer. In het Joodse en christelijke narratief hebben herders een metaforische voorkeurspositie en is de woestijn de plaats van ontwikkeling en loutering. In het zionistische narratief staat de woestijn voor het ‘lege en dorre gebied’ dat (door de zionisten) tot bloei gebracht moet worden. Adania Shibli kent deze narratieven en onderzoekt hoe ze in de praktijk uitwerken.

De historische gebeurtenis uit 1949 gaat over een Israëlisch peloton dat naar de woestijn is gestuurd om controles uit te voeren, de grens met Egypte te bewaken en het gebied te zuiveren van Arabische infiltranten. Wij zien de gebeurtenissen door de ogen van de commandant die in sobere bewoordingen beschrijft hoe hij en zijn manschappen hun taak uitvoeren in dit lege, hete landschap. Wat zien ze wel en wat niet in dit gebied waarmee ze niet vertrouwd zijn? De commandant is zwijgzaam behalve als hij zijn manschappen toespreekt en het zionistische ideaal nauwgezet verwoordt.

Sloop en deportatie

Tot op de dag van vandaag zijn Bedoeïenen beroemd om hun vaardigheid om sporen te zien in een landschap waar niemand anders ze ziet. Voor hen zijn zelfs functies gecreëerd in het Israëlische leger; de Bedouin trackers. Zo vindt een kleine minderheid Bedoeïenen werkgelegenheid bij een leger dat de meesten van hen alleen maar kennen van sloop van hun huizen, stallen, scholen en dorpen en gedwongen deportatie. Recent kwam het bericht naar buiten dat een zogenaamd niet-erkend Bedoeïenendorp in de Naqab sinds 2010 al 192 (!) keer is gesloopt.

De Bedoeïenen zijn in Israël de minderheid met de slechtste sociale en economische omstandigheden. De jonge bevolking (ongeveer 200.000 in de Naqab-woestijn) is in alle opzichten gemarginaliseerd: weinig scholing, hoge werkloosheid, lage levensverwachting, slechte leefomstandigheden en voortdurende discriminatie en schending van mensenrechten. Al deze feitelijke informatie komt niet voor in de roman van Adania Shibli maar de schrijfster is zich wel bewust dat mensen in de maatschappelijke marge via literatuur weer een gezicht en een stem kunnen krijgen. Dat hun verhaal, dat de overheerser probeert uit te vegen, weer aan het licht kan komen.

Gesloopte woning in het niet-erkende Bedoeïenendorp Alsara. Foto Neukoln
Gesloopte woning in het niet-erkende Bedoeïenendorp Alsara. Foto Neukoln

Kaarten en musea

De hoofdpersoon in het tweede deel wil weten hoe de gebeurtenissen uit het verleden zijn gedocumenteerd en welke sporen zijn terug te vinden. Ze maakt daarbij gebruik van instrumenten als kaarten en musea. En daarmee heeft ze meteen explosief materiaal in handen. Want kaarten en musea zijn in een gekoloniseerd land verre van neutraal. Plaatsnamen die wel op de ene kaart staan, ontbreken op de andere. Aanduidingen van landen en regio’s kunnen per kaart verschillen. Grenzen die voor de ene bewoner niet gelden, vormen voor de ander een groot obstakel. En wegen die voor de ene reiziger bruikbaar zijn, zijn voor de andere volstrekt ontoegankelijk. Reizen wordt zo een zenuwslopende aangelegenheid, zoals blijkt uit het verslag in dit boek. Ook voor de musea geldt dat de voorstelling van zaken vanuit het gezichtspunt van de kolonisator wordt getoond. De musea zijn zelfs niet voor iedereen vrij toegankelijk. In een interview vertelt Adania Shibli dat ze als voorbereiding voor deze roman de genoemde musea daadwerkelijk bezocht en in een ervan werd gearresteerd op verdenking van spionage. Ook al had ze een geldig toegangsbiljet, toch wekte ze zoveel wantrouwen dat ze zonder aanklacht werd gearresteerd en een dag vastgehouden.

Namen en identiteiten

De ik-verteller heeft geen identiteitsbewijs om de Westbank te verlaten en een auto met Israëlisch kenteken te huren maar ze kan een ID lenen van een collega. Onder het motto “voor de Israëli’s zien alle Arabieren er hetzelfde uit” reist ze met het ID van een ander door Israëlisch grondgebied. Hier speelt de schrijfster met de waarde van identiteit. In bezet gebied zijn identiteiten heel belangrijk en onderscheidend. Er is sprake van een voortdurend ‘wij’ tegenover ‘zij’, een scherpe afbakening tussen degenen met alle rechten tegenover anderen met minder of geen rechten (ook daarin zijn weer gradaties). Maar ook een schrijver heeft macht om namen te geven en identiteiten in te vullen. Shibli gebruikt die macht door haar personages bewust anoniem op te voeren, niet alleen in deze roman maar in vrijwel al haar werk komen geen eigen namen voor. Ze neemt daarmee afstand van de machthebber die macht gebruikt om namen op te leggen, te veranderen, door te strepen of te verbieden. Bovendien kun je als lezer een anoniem personage niet meteen indelen en op afstand zetten maar ervaar je het universele en algemeen geldende van zijn of haar verhaal.

Plaatsbepaling en tijdsbepaling

In deze roman speelt de auteur niet alleen met de macht van taal om begrenzingen in naamgeving en plaatsbepaling aan de kaak te stellen maar ze onderzoekt ook de macht van taal in tijdsbepaling. Voor een kolonisator geldt een lineair tijdsbeeld: eerst was er niets, toen kwam de kolonisator en brak een nieuwe tijd aan. De oude tijd kan worden vergeten, uitgewist. De schrijver kan als onderzoeker van sporen, indrukken en details laten zien dat die breuk in de tijd niet definitief is. Het verleden is niet voorbij, het duikt steeds weer op. Daarom komen in Shibli’s werk veel herhalingen voor. Gebeurtenissen uit het eerste deel van het boek keren (in variatie) terug in het tweede. Motieven zoals het blaffen van een hond, de geur van benzine, het verwaaien van het zand, de drukkende hitte en het tekort aan water, herhalen zich en krijgen steeds opnieuw betekenis. De scheidslijn tussen de oude tijd en de nieuwe tijd is in werkelijkheid poreus, er zijn veel meer doorgaande lijnen dan een bezetter graag zou willen. Ook de confrontaties tussen de oude bewoners en de nieuwe bewoners blijven terugkomen, het uitwissen lukt steeds maar gedeeltelijk.

Langzaam schrijven en langzaam lezen

Zo onderzoekt de schrijver met behulp van taal de marges en tussenruimtes in de afbakeningen van tijd, plaats en handeling om zo ruimte te creëren voor die mensen die zich bekneld en verstikt voelen en bang zijn hun waardigheid te verliezen. Ze doet dat in eerste instantie voor zichzelf en daarna ook voor anderen die slachtoffer zijn van onderdrukking en geweld. Ze doet dat met een groot beroep op de fijngevoeligheid voor de ruimte die taal kan creëren. Haar korte verhalen en boeken zijn dan ook niet bedoeld om snel te consumeren. Net zoals ze zelf langzaam schrijft, zoekt ze contact met lezers die langzaam en nauwgezet willen lezen, met aandacht voor details. Wie dat wil doen, krijgt toegang tot een wereld vol betekenissen, nuances en gelaagdheden. En dat is niet alleen een esthetisch genoegen maar ook een effectief instrument om weerbaar te blijven tegen onderdrukking en aantasting van menselijke waardigheid.